Hoe zorg je ervoor dat specialistische kennis beschikbaar is wanneer gezinnen en professionals die nodig hebben? Die vraag staat centraal in het rapport Netwerken van Specialisten in Regio’svan Kenniscentrum Phrenos. Het rapport is op 25 september 2026 door de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangeboden aan de Tweede Kamer.

Beeld: © Kenniscentrum Phrenos

Uit de inventarisatie komt één woord nadrukkelijk naar voren: nabijheid. Vooral de toegang tot specialistische expertise blijkt belangrijk. Die expertise moet nabij, relationeel, flexibel en waar nodig meewerkend georganiseerd zijn. Niet het gezin steeds verder door het systeem bewegen, maar kennis en expertise laten bewegen rondom het gezin.

“De vraag aan de ggz is hoe de specialistische kennis zo in te zetten dat lokale professionals sterker worden, door mee te analyseren, tijdelijk mee te lopen en kennis over te dragen, zonder hun rol per definitie over te nemen.” Christine Kuiper, onderzoeker Phrenos.

Waarom netwerken van specialisten?

Het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zet in op een andere manier van organiseren en samenwerken rond gezinnen waar onveiligheid speelt of dreigt. Vaste professionals uit lokale teams staan dicht bij het gezin. Wanneer sprake is van multiproblematiek en onveiligheid moet aanvullende expertise voor alle leeftijden, van 0 tot 100 jaar, beschikbaar zijn. Denk aan kennis over psychiatrie, verslaving, bestaanszekerheid, verstandelijke beperkingen en specifieke vormen van geweld en onveiligheid. In diverse regio’s wordt al geëxperimenteerd met hoe deze manier van samenwerken in de praktijk vorm kan krijgen.

Waarom dit onderzoek?

Er was onvoldoende zicht op hoe netwerken van specialisten in regio’s vorm krijgen, hoe zij zich verhouden tot bestaande expertise- en consultatienetwerken en welke werkzame principes en dilemma’s daarbij spelen. Kenniscentrum Phrenos voerde daarom een kwalitatieve, inventariserende analyse uit: experts en betrokkenen uit vijf regio’s (Nijmegen, Hart van Brabant, Holland Rijnland, Flevoland en Groningen) werden geïnterviewd en de bevindingen getoetst en verrijkt in een focusgroep. Het onderzoek is geen effectevaluatie, maar een momentopname van een praktijk die volop in ontwikkeling is.