Informele steun moet een gewone plek krijgen in de jeugdhulp. Dat vinden Els Bijman van FACTOR-i en Onno de Zwart van Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Zij werken samen om jeugdhulp sterker en duurzamer te maken voor jongeren, ouders en gezinnen. Hun boodschap is helder: ‘begin een eerste gesprek altijd met de vraag wie belangrijk is voor kinderen, jongeren of gezin’

Beeld: © Els Bijman en Onno de Zwart

Els Bijman is interim-directeur bij FACTOR-i in Amersfoort. Daar werkt ze, zoals ze het zelf verwoordt, aan ‘mooie jeugdhulp’. Voor haar begint dat bij de vraag: Kunnen we samenwerken met het informele netwerk? ‘De jeugdhulp wordt effectiever en duurzamer als samenwerken met het informele netwerk normaal wordt’, vindt ze. ‘Dat geldt voor iedereen die hulp vraagt. En voor elke professional die betrokken is bij een kind, de jongeren of het gezin. Met het informele netwerk bedoel ik de mensen die al om iemand heen staan. Denk aan familie, vrienden, buren, een trainer, een oom of tante, of iemand anders die in hun omgeving belangrijk is.’

Veel professionals vinden samenwerken met het netwerk vanzelfsprekend. Toch lukt het nog niet altijd om dat goed te doen.’

Bredere beweging

Onno de Zwart is directeur-netwerkleider bij KBL in Utrecht. Hij ziet informele steun als onderdeel van een grotere verandering in de jeugdhulp. Het gaat om beter leren en beter samenwerken met de mensen om een gezin heen. Onno: ‘Veel professionals vinden samenwerken met het netwerk anzelfsprekend. Toch lukt het nog niet altijd om dat goed te doen. Professionals zijn vaak tijdelijk betrokken. Vraag daarom al in het begin wie er belangrijk zijn in het leven van een jongere of gezin. Juist die mensen blijven vaak in beeld als de professionele hulp weer stopt.’

Veranderkracht door netwerk

Volgens Els is het netwerk belangrijk, omdat het blijft. Els: ‘Door samen te werken met het informele netwerk, krijg je ook beter zicht op wat er echt speelt. Je ziet welke veranderkracht er al is, of juist ontbreekt. Daarom moet het netwerk niet pas later in beeld komen. Wie daar niet vanaf het begin op inzet, mist belangrijke steun en informatie. Tegelijk gaat het niet om het zelf inzetten van dat netwerk. Dat kun je niet. Professionals worden ingezet, maar het informele netwerk is van de mensen zelf.’

Ze vervolgt: ‘We hebben veel ervaring met de JIM-aanpak. Daarbij kiezen jongeren zelf een mentor die hen helpt om verder te komen. JIM staat voor Jouw Ingebrachte Mentor. Het is een belangrijk voorbeeld van werken met informele steun. Tegelijkertijd gaat samenwerken met het informele netwerk verder dan deze aanpak alleen. Het vraagt ook om netwerkgericht werken en het gebruik van informele steun. Daarom is het belangrijk dat professionals vanaf het begin kijken hoe de behandeling kan aansluiten bij mensen om een jongere of gezin heen.’

Vertrouwen en loslaten

Beiden beseffen dat deze manier van werken spannend kan zijn voor professionals, organisaties en gemeenten. Onno: ‘We zijn gewend om hulp vast te leggen en te organiseren. Maar een buurman, oom, tante of vriend heeft een andere relatie tot een jongere of gezin. Die relatie is, zoals Els al zei, van mensen zelf. Je kunt die niet helemaal controleren. Dat vraagt vertrouwen en loslaten.’

Hij vervolgt: ‘Informele steun is in mijn ogen zeker niet bedoeld als bezuiniging. Het kan soms betekenen dat professionele hulp korter duurt of anders wordt ingezet. Maar dat is niet het doel. Het doel is betere samenwerking, meer kwaliteit van leven en duurzamere hulp voor jongeren en hun gezin.’

Trainen en borgen

FACTOR-i en KBL werken samen om informele steun verder te brengen. FACTOR-i brengt veel ervaring mee met de eerdergenoemde JIMaanpak. KBL verbindt organisaties die samen willen leren en de jeugdhulp willen verbeteren. Daarnaast werkt het netwerk breed aan kwaliteit en blijvend leren in de jeugdhulp. KBL ondersteunt FACTOR-i, zodat deze een overzicht kan maken van diverse werkende elementen en voorbeelden van informele steunvormen. Ook ondersteunt zij training, leren en borging in organisaties.

Els hierover: ‘We werken samen met veel organisaties die dezelfde waarden belangrijk vinden. We zijn onderdeel van de Alliantie Informele Steun Jeugd en Gezin. En werken nauw samen met SBJ, de samenwerkende beroepsverenigingen Jeugd. Samen kijken we wat informele steun betekent voor het werk van professionals. Zo organiseert FACTOR-i bij en met organisaties dialoogsessies over informele steun, zodat professionals zich comfortabeler voelen om daarmee samen te werken. Ook kunnen ze nadenken over wat dat voor hun rol betekent en wat dat van hun organisatie vraagt. KBL ondersteunt ons financieel om die dialoogsessies te organiseren. Zo moet informele steun niet afhankelijk blijven van één enthousiaste medewerker, maar onderdeel worden van het gewone werk.’

Vragen stellen

Professionals kunnen volgens Els en Onno morgen al beginnen door vragen te stellen over het netwerk. Els: ‘Wie is er in de omgeving van de jongere of het gezin? Op wie kunnen zij terugvallen? En als ze dat niet weten, wie komt er op hun verjaardag? Wie bellen ze direct als de waterleiding springt? En wie uit hun directe omgeving weet dat er een jeugdhulpverlener in huis komt?’

Onno vult aan: ‘Vraag het gewoon. Besef als professional dat hulp bieden ook waardevol kan zijn voor de helper binnen het netwerk. Mensen kunnen altijd “nee” zeggen, maar vaak willen ze best iets betekenen als de vraag concreet is.’ Voor Els hoort daar ook reflectie bij. ‘Denk na over je eigen rol als professional. Je bent tijdelijk betrokken. Kijk wat jouw toegevoegde waarde is en hoe je die tijdelijke rol ook weer kunt loslaten.’

Toekomstdroom jeugdhulp

Hun toekomstdroom sluit daarop aan. Els hoopt dat de jeugdhulp houdbaar blijft doordat professionals goed nadenken over hun rol in gezinnen. ‘En doordat mensen in de samenleving iets meer voor elkaar gaan zorgen.’

‘Ook moeten we in de spiegel durven kijken. Past wat we doen nog bij de vraag van jongeren en gezinnen?’

Onno vult dat aan met de wens dat leren vanzelfsprekend wordt voor iedereen in en rond de jeugdhulp: de minister, de wethouder, de beleidsambtenaar en de professional. ‘Zodat iedereen het gevoel heeft: Ik wil elke dag of elke week leren om het net wat beter te doen. Dat vraagt dat we luisteren naar jongeren en ouders, naar professionals, naar wetenschap en naar cijfers. Ook moeten we in de spiegel durven kijken. Past wat we doen nog bij de vraag van jongeren en gezinnen? Of doen we iets vooral omdat we het altijd zo deden? Als de vraag verandert, moeten we onze werkwijze durven aanpassen. Alleen zo kunnen we het beter doen.’

Tips van Els en Onno

Vraag meteen naar het netwerk: Vraag vanaf het begin wie belangrijk is voor de jongere of het gezin. Denk daarbij aan familie, vrienden, buren of andere bekenden. Stel daarbij simpele en concrete vragen. Vraag bijvoorbeeld: wie helpt jou als er iets misgaat?

Maak duidelijk wat iemand uit het netwerk kan doen: Mensen willen vaak helpen als ze weten wat er nodig is. Laat mensen ook nee zeggen. Dan blijft steun vrijwillig en gelijkwaardig.

Denk na over je eigen tijdelijke rol als professional: Kijk wat jij nu kunt doen en hoe het netwerk later de jongere en het gezin verder kan helpen. Zie daarbij hulp geven als iets “waardevols”. Het kan de band met de jongere of het gezin sterker maken.

Zorg dat werken met informele steun niet afhankelijk blijft van één enthousiaste medewerker.