Het Rijk ondersteunt de 41 jeugdregio’s met €77 miljoen om residentiële jeugdhulp zoveel mogelijk te voorkomen en, als verblijf toch nodig is, de duur ervan te verkorten. Ook moeten onnodige doorplaatsingen en één-op-éénplaatsingen worden teruggedrongen.
Regio bepaalt wat nodig is
Jeugdregio’s krijgen de komende jaren extra middelen om deze beweging te versnellen. Gemeenten bepalen samen met jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen welke aanpak het beste past bij hun regio en het bestaande zorgaanbod.
Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om het ontwikkelen van alternatieven voor residentieel verblijf, het sneller organiseren van passende hulp thuis of het verbeteren van de doorstroom. Zo moet worden voorkomen dat jongeren door een gebrek aan passend aanbod terechtkomen op een plek die onvoldoende aansluit bij wat zij nodig hebben, soms ver van huis of zonder passend onderwijs of dagbesteding.
Ook landelijke ondersteuning
Naast de regionale aanpak komt er landelijke ondersteuning voor onder meer betere plaatsingscoördinatie, monitoring en kennisontwikkeling over effectieve hulp.
Het Rijk en de VNG volgen gezamenlijk wat de aanpak oplevert. Zo wordt zichtbaar of jongeren minder vaak in residentiële jeugdhulp terechtkomen, korter verblijven en vaker passende hulp in hun eigen omgeving krijgen.
Voor de regionale en landelijke aanpak stelt het Rijk in totaal extra middelen beschikbaar voor de periode 2026 tot en met 2028.
Deze inzet is onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd. Daarin is afgesproken dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk thuis of in een situatie die daarop lijkt moeten kunnen opgroeien. Als verblijf buiten huis noodzakelijk is, moet de hulp zo kleinschalig, passend en dichtbij mogelijk worden georganiseerd.