De ambitie van de proeftuin Zaanstreek-Waterland is helder: gezinnen en huishoudens in onveilige situaties sneller en beter ondersteunen. Dat vraagt om een fundamenteel andere manier van samenwerken, waarin professionals van het lokale team expertise erbij kunnen halen in plaats van het gezin doorsturen. Deze werkwijze is uitgewerkt in de nieuwe brochure Samen verder.

Beeld: © Proeftuin Zaanstreek-Waterland

Programmamanager Anique Aretz merkte dat, ondanks alle verschillen tussen organisaties, het doel bij alle betrokkenen hetzelfde is: een gezin zo goed mogelijk helpen. “Iets dat we in de oude werkwijze niet effectief deden. Met de nieuwe werkwijze is er veel meer focus op (het stoppen van on)veiligheid.” Ook Corien Starreveld, ambulant hulpverlener bij Jeugdteam Assendelft en sinds twee jaar betrokken bij de proeftuin, ziet dat de lijnen korter zijn geworden. “Waar eerder vanuit de eigen organisatie werd gedacht, weten professionals elkaar nu sneller te vinden en wordt eerder samen gekeken wat nodig is.”

Leren samenwerken in één taal

Een belangrijke stap is dat betrokken organisaties in de proeftuin werken vanuit dezelfde methodiek: Gefaseerd Samenwerken voor Veiligheid (GSV) en TOP-3. Dat sluit aan op het landelijke handelingskader en vormt de basis van de nieuwe regionale brochure Samen verder. Daarin staat hoe de werkwijze in de praktijk vorm krijgt, bijvoorbeeld wie wanneer met elkaar aan tafel zit en hoe besluiten gezamenlijk worden voorbereid en met het gezin worden genomen.

De proeftuin brengt veel organisaties bijeen: lokale teams, Veilig Thuis, jeugdbescherming, volwassenen-ggz, de Blijf Groep, het Meldpunt & Advies Bijzondere Zorg, Raad voor de Kinderbescherming en andere partners in het Regionaal Veiligheidsnetwerk. Die mix maakt het mogelijk om breder te kijken. Niet alleen: wat is er met het kind aan de hand? Maar ook: wat speelt er bij ouders, in het huishouden, in de omgeving, en welke expertise is nodig om de onveiligheid echt te stoppen?

Anique: “Iedereen krijgt coaching in gemengde groepen. Dan leer je elkaar niet alleen kennen, maar ook dat iedereen ergens tegenaan loopt. Het is voor niemand een gespreid bedje.” Dat gezamenlijke leren helpt om dezelfde taal te spreken en sneller samen op te trekken.

Eerst onveiligheid stoppen

De kern van de nieuwe werkwijze is dat professionals niet meteen in oplossingen schieten, maar eerst samen zicht krijgen op het onveilige gedrag. In de eerste fase wordt informatie verzameld, samen gewogen en geprioriteerd. Daaruit volgt een TOP-3: de drie belangrijkste punten waar direct op moet worden gehandeld om de onveiligheid te stoppen. Pas daarna komt de volgende vraag aan bod: wat ligt hieronder en wat is nodig om duurzame veiligheid te bereiken?

Dat klinkt logisch, maar het betekent in de praktijk een andere reflex. Corien en Anique noemen als voorbeeld een situatie van huiselijk geweld waarbij een kind getuige was van geweld tussen ouders. Waar eerder al snel gedacht zou worden aan traumabehandeling voor het kind, wordt nu eerst de vraag gesteld: hoe stoppen we het geweld? “Eerst moet het slaan stoppen,” zegt Anique. “Pas daarna kun je goed kijken wat het kind nodig heeft, maar ook wat de volwassenen nodig hebben.”

Daarmee verschuift ook de blik van professionals. Niet het kind als enige ingang, maar alle betrokken volwassenen en kinderen. Corien beschrijft hoe juist een gesprek met een ouder soms de sleutel blijkt te zijn tot verandering. Een laagdrempelige professional uit een andere organisatie kan dan net de ingang vinden die eerder ontbrak. “Dat heeft op de lange termijn veel meer succes voor het kind en ook voor die ouders, dan wanneer je alleen naar het kind kijkt.”

Anders werken, andere grondhouding

De nieuwe werkwijze betekent niet alleen een andere structuur, maar ook een andere houding. In de brochure wordt die grondhouding expliciet benoemd: onderzoekend, transparant, verbindend, vasthoudend en steeds bewust van de mogelijkheid dat je het ook verkeerd kunt hebben. Dat laatste is in de praktijk best spannend, want professionals moeten leren om zonder voorgenomen besluit het gesprek in te gaan.

Corien merkt dat dit ook haar eigen manier van kijken verandert. In plaats van direct op te schalen of extra druk te zetten, is er meer ruimte om te kijken wat er in een gezin al wél ontstaat aan verantwoordelijkheid en samenwerking. “Een jaar geleden had ik daar anders naar gekeken,” zegt ze. “Nu denk ik veel meer: wat gebeurt hier, wat is een goede stap, en hoe kunnen we daarop aansluiten?”

De volgende stap: verdiepen en uitbreiden

Corien en Anique zijn het erover eens dat de proeftuin nog volop in ontwikkeling is. De basis staat, maar vraagt verdere verdieping. Dat betekent elkaar blijven ontmoeten en scherp blijven op het gezamenlijke doel. Want juist als de druk toeneemt, is de neiging groot om terug te vallen in oude patronen. “Het stoppen met het oude is moeilijk,” zegt Anique. “Maar als iedereen het nieuwe er alleen maar bij doet, dan wordt het onhoudbaar.”

De komende periode staat in het teken van doorontwikkeling. De werkwijze wordt stapsgewijs uitgebreid naar een groter gebied in Zaanstreek-Waterland, met als doel deze in 2028 regionaal in te voeren. Daarnaast zijn er inhoudelijke vraagstukken die verdere uitwerking nodig hebben, zoals de aansluiting na tijdelijke huisverboden en duidelijke afspraken over gegevensdeling tussen organisaties.

De richting staat volgens Anique in elk geval vast: “De vraag is niet of we dit anders gaan doen. De vraag is wanneer en onder welke voorwaarden. Maar dat we op een effectievere manier gezinnen en huishoudens moeten helpen om uit onveiligheid te komen, dat staat voor mij vast.”